Skip to content

1.3 | Schrijfwijze van objecten

Twiin bevat in de verschillende hoofdstukken objecten zoals afspraken, eisen, specificaties en richtlijnen. Om deze op een heldere, eenduidige en juridisch duidelijke manier te duiden voor de Twiin Deelnemer, Twiin Dienstverlener en GTK Leverancier en GTK Beheerder wordt gebruik gemaakt van RFC 2119. Dit is een richtlijn die vastlegt hoe woorden als MOET (MUST), ZOU MOETEN (SHOULD) en MAG (MAY) moeten worden geïnterpreteerd.

Vereiste-niveaus

RFC 2119-term Nederlandse term Interpretatie
MUST / REQUIRED / SHALL MOET / VERPLICHT / ZAL Een absolute vereiste.
MUST NOT / SHALL NOT MAG NIET / ZAL NIET Een absoluut verbod. Binnen Twiin is het omschrevene niet toegestaan.
SHOULD / RECOMMENDED ZOU MOETEN / AANBEVOLEN Dit is een algemene vereiste die ondersteund zou moeten worden. Er kunnen valide redenen zijn om een onderdeel wel verplicht te stellen. Zo kan een vereiste worden versterkt bij een (zorg)toepassing in Twiin. Een eis met het niveau ‘ZOU MOETEN’ kan binnen de BgZ wel degelijk noodzakelijk zijn.
SHOULD NOT / NOT RECOMMENDED ZOU NIET MOETEN / NIET AANBEVOLEN Dit is ongewenst, tenzij er een valide reden is om het in een specifiek geval toe te laten.
MAY / OPTIONAL MAG / OPTIONEEL Een vrije keuze, een optie.

Meta-model voor objecten

Objecten die zijn opgenomen in Twiin kennen verschillende attributen om helderheid te geven over hoe en waar ze van toepassing zijn. De attributen zijn alleen zichtbaar als ze relevant zijn en een waarde hebben.

Attribuut Toelichting Waardes
ID De codering van objecten helpt om ze vindbaar en overzichtelijk te maken. Twiin-objecten (TW) zijn geschreven volgens onderstaande logica: TW-CATEGORIE-SUBCATEGORIE-VOLGNUMMER. Waar een categorie bijvoorbeeld een communicatiepatroon (P) of generieke functie (F) kan zijn en een subcategorie een specifieke functie daarbinnen, zoals Netwerkbeveiliging (NB).
Naam De naam van het object.
Soort Dit geeft aan wat voor soort object het betreft. Eis Specificatie Richtlijn Afspraak
Status Dit attribuut geeft de status van het object weer: * Is een object, zoals een eis geldend? Dan heeft het de status ‘Normatief’. * Is het nog onderdeel in één van de fases van ontwikkeling en toetsing, dan kan het de status ‘Trial’, ‘Candidate’, ‘Draft' of ‘Informative’ bevatten. * Is een object niet (meer) geldig, dan kent het de status ‘Uitgefaseerd’ of ‘Vervallen’. Uitgefaseerd Normatief Trial Candidate Draft Informative Vervallen
Omschrijving Omschrijving van het object met vereiste-niveau in de lopende tekst.
Toelichting Toelichting op het object met mogelijk aanvullende eisen, maatregelen en best practices.
Vereiste Deze waarde geeft het vereiste-niveau aan van het object. Zie hiervoor ‘Vereiste-niveaus’. MOET ZOU MOETEN MAG NIET ZOU NIET MOETEN MAG
Implicatie bij toepassing Aanvullende informatie wanneer het object onderdeel is van een (zorg)toepassing, zoals BgZ. Als aanvullende informatie beschikbaar is, zal dit attribuut zichtbaar zijn.
Rol Niet elk object is van toepassing bij elke rol. Het atribuut ‘rol’ geeft duiding aan wie dit dient te ondersteunen of implementeren. GTK GTK Beheerder Twiin Organisatie Twiin Deelnemer Twiin Dienstverlener
Bedrijfsrol Bij een toepassing kunnen ook aanvullende rollen betrokken zijn. Deze worden weergegeven via dit attribuut. Nieuwe behandelaar Verwijzer Dossierhouder
Functie (F) Dit attribuut geeft aan op welke generieke functie het object betrekking heeft. Identificatie Authenticatie Autorisatie Behandelrelatie Toestemming Logging Adressering Localisatie Transparantie Netwerkbeveiliging Routering
Patroon (P) Dit attribuut geeft aan op welk communicatiepatroon het object betrekking heeft. Notified Pull Pull Indexed Pull Push
Actor Dit attribuut geeft aan op welke actor het object betrekking heeft. GTK Ontvanger GTK Verzender EPD Ontvanger EPD Verzender
Toepassing (T) Dit zijn objecten die voor een specifieke toepassing gelden. BgZ Beelden Correspondentie
Referenties Dit betreft verwijzingen binnen en buiten het stelsel, gerelateerd aan het object.
Toetsingscategorie Vindt er een vorm van toetsing zoals validatie en kwalificatie plaats en zo ja, bij wie? Geen Via Twiin Via programma Via (kwaliteits)richtlijn Via Nictiz Via NTV
Toetsingsvorm Op welke wijze wordt dit object getoetst: * Technische toets * Functionele toelichting * Zelfverklaring * (keten)test bij implementatie * Externe verklaring, zoals bijvoorbeeld voor NEN 7510 'Verklaring van Toepasselijkheid'. Technisch Functioneel Zelfverklaring (Keten)test Externe verklaring
Niveau Een object kan op verschillende niveaus gelden: * Specifiek: Het betreft een afgebakend object binnen Twiin, zoals een (zorg)toepassing. * Generiek: Het betreft een object die van toepassing is door Twiin heen, en geldt voor alle onderliggende onderdelen. * Landelijk: Dit betreft een landelijk object, zoals afspraken, eisen en specificaties waar stelsels naar kunnen verwijzen. Specifiek Generiek Landelijk